Logo Free Spirits Film

Interviews / Interview met Frans Weisz

FRANS WEISZ : 
 “Passie is niet zonder kunnen.”

door Jaap Mees


In de serie Ontmoetingen met de Filmwereld, gaat Jaap Mees op zoek naar bijzondere mensen in het Nederlands filmlandschap. Dit keer een interview met Frans Weisz

Jaap Mees: Heb je het gevoel dat je je beste film nog gaat maken?
Frans Weisz: “ Ja, als ik dat niet heb zou ik het heel moeilijk vinden om door te gaan. Dat is mijn redding. Ik las laatst een interview met Woody Allen waarin hij de film die hij net gemaakt heeft, alweer ontkent. Ik heb ook altijd gezegd: iedere film die ik maak is een revanche op de vorige. Ik heb nu steeds meer het idee dat ik denk dat ik weet waar het over gaat in een film. Ik zoek steeds meer naar de kern. Iedere film kost je weer ongeveer vier jaar van je leven, zodat je niet overal ja op kan zeggen. Aan de andere kant ben ik een absolute workaholic: een dag niet gewerkt is een dag niet geleefd. Ik haat mensen die tegen je zeggen: doe je het nog, of maak je nog films. Dat woordje 'nog' is een soort atoombom. De titel van Bunuel’s biografie: Tot de Laatste Snik, spreekt me dan ook erg aan. De mijne zou heten: Een Leven is Niet Genoeg. 

De aanleiding voor dit gesprek is de enorme passie voor film die je laat zien in de documentaire Cinema del Mare van Eef de Graaf over een rondreizend openluchtfilmfestival in Italië. Je hebt eigenlijk nog steeds het enthousiasme van een nieuwe maker, dat sprak me erg aan. Die film speelt dan ook in Italië, een land met een rijke filmhistorie, waar ooit 300 films per jaar werden gemaakt. Dat is nu teruggelopen naar 30 of 40. De geesten van Fellini, Pasolini, Visconti, Antonioni zweven nog boven alle jonge filmmakers. Ik was daar om een Workshop/Masterclass te houden. Opmerkelijk was het verschil in beleving tussen de Italiaanse en de Hollandse filmmakers. De Italianen vonden de Hollanders te weinig gepassioneerd, zij konden uren doorpraten over films, terwijl de Nederlanders na een tijdje liever in de zon gingen zitten of een ijsje kochten. Daarbij komt dat ze vaak geen Italiaans verstaan. Ik ben “van een generatie” die met enig argwaan naar de oprichting van de Filmacademie keek. Toen die begon was het een soort hobbyclub, drie ochtenden in de week, met een gemiddelde leeftijd van 35. Ik behoorde tot de eerste lichting, die van 1965. Er zaten mensen van de filmkeuring in die wel eens wilden weten hoe je een film maakt.

Gewoon zelf doen 

Bert Haanstra adviseerde me om er heen te gaan, nadat ik van de Toneelschool was gestuurd. Hij was een vriend van mijn vader. Hij is een echte praktijkman, gewoon zelf doen was zijn motto. Je leerde het vak door met een statief door de polders te sjouwen en hem neer te zetten op de plek die de cameraman aanwees. Het enige wat je had in die tijd was die grote passie voor film. Ruud Weisman, de directeur van de Toneelschool in Amsterdam heeft een boek geschreven waarin hij zegt: talent is iets heel graag willen, vrij vertaald. Eerst dacht ik: wat een onzin. Maar hoe langer ik er over nadenk, hoe meer ik besef dat hij gelijk heeft. Een andere kant van talent is een manier van kijken, denken, formuleren, of je gevoel voor kleur, of je gekte, weet ik veel. Passie is niet zonder kunnen.

Is het echt zo dat je nog even gepassioneerd met film bezig bent als toen je begon? Misschien ben ik een biologisch fenomeen, dat later als El Negro wordt opgegraven (lacht). Maar ik moet het ook niet overdrijven want ik ben ook vaak zwaarmoedig. Maar ik heb wel een grote “lust for life”, een soort gulzigheid, meer dan passie. Mijn zoon die nu achttien is, heeft precies hetzelfde. Hij is de hele dag aan het proberen de wereld te veroveren. Laatst bij een toneelpresentatie van hem, werd ik op het toneel getrokken. Het zweet brak me uit, ik werd rood en stond dom te lachen van de schaamte, het acteurschap is echt ver van me verwijderd. Ik ben meer een voyeur. Er zitten twee zielen in mij, de ene is ijdel, en de ander is vol zelfhaat. Zoals de Palestijnen en de Joden, af en toe is er een vredesconferentie.

 



Als je terugkijkt naar de films die je gemaakt hebt, welke doet je het meest: Charlotte?
Ik zou mijn leven kunnen indelen in de periode voor Charlotte en na Charlotte. Deze film heeft vijf jaar van m’n leven gekost, maar is ook de enige film, die ik niet uitzet als die in de videospeler wordt gestopt door mijn zoon. Mijn vrouw, die psychoanalytica is, vertoonde laatst Op Afbetaling in een serie met als thema wraak. Ik vond hem beter dan ik dacht dat hij was, al zou hij wat ingekort kunnen worden. Ik keek ernaar als naar een film van een ander. 

In Nederland zijn er weinig echte cinefielen zoals jij, in zoverre ik dat weet tenminste. Mensen als Huub Bals, Francois Truffaut of Martin Scorsese. Ik zou mijzelf nooit een cinefiel noemen. Ik ben eerder een theatrofiel of een Italofiel. Ik houd van kijken, ik ben een echte voyeur. Als ik ‘s avonds thuis kom en ik heb de keuze tussen een film of een praatprogramma, geef ik de voorkeur aan een talkshow. Het is dus niet zozeer een passie voor film, maar meer een passie om samen met anderen iets te maken. Een filmmaker maakt gebruik van mensen om hem heen. Schrijvers, acteurs, cameramensen, geluid, art directors etc. Filmregisseur zijn is eigenlijk het ultieme profiteurschap.

Maar dan doe je jezelf toch tekort, vind ik. Jij moet het ook ontkennen, anders zou ik het vreselijk vinden. Het is inderdaad een kwaliteit als je oog hebt voor kwaliteit van anderen. Maar het blijft een oneerlijke verdeling dat je na een film alle vragen moet beantwoorden, terwijl het maken van een film echt teamwerk is. Ik werk niet zoals Alex van Warmerdam, die dicteert hoe hij een film wil hebben. In mijn volgende leven hoop ik het talent van een schrijver te krijgen. Dan maak je uit niets iets. Dat doe ik nu ook, maar ik gebruik daarbij heel veel bestaand talent. Van de schrijver tot de operateur. We waren een tijdje geleden in Italië. Op een dorpsplein zat een orkest te spelen zonder dirigent. Ze speelden prachtig. De dirigent was nog niet gearriveerd. Later kwamen we terug en toen stond er een dirigent te zwaaien. Een orkest kan best spelen zonder dirigent maar een dirigent kan zonder orkest helemaal niets. Voor mij is het vak van filmregisseur een ideale combinatie tussen een psychoanalist en een dirigent. Het samenbrengen van diverse talenten en de nieuwsgierigheid naar menselijk gedrag gaan mooi samen. Daarbij komt het Napoleon complex van het mensen aan je willen binden. De NRC stelde ooit de vraag aan diverse cineasten: waarom film je? Sommigen hadden er hele pagina’s voor nodig. Ik antwoordde omdat ik 1,58 lang ben. Het absolute verlangen dat mensen van me houden en vooral dat ze me zien staan. Dat is een heel authentiek verlangen. De meisjes kregen vroeger niet naar me om omdat ik klein was. Het is eigenlijk het tegenovergestelde van onderduiken: het toneel op gaan. 

Welke film zou je nog graag willen maken? 
In 1962 was de film die ik het liefst wilde maken, “Het Leven is Verrukkulluk” naar een boek van Remco Campert. Nu 43 jaar later wil ik die film nog steeds dolgraag maken. Dat boek is een hommage aan liefde, jeugd. Alles kan. Je springt uit het raam en komt behouden aan. 

Wat zijn dan de volgende films? 
Ik ga een programma maken over Lucebert, met Remco Campert en Carol Linsen. En een gedramatiseerde film over Ischa Meijer.

Welke films hebben veel indruk gemaakt in de bioscoop? 
Ik was diep geraakt door de Spaanse film Mar Adentro van Alejandro Amenabar. Over een zwaar verlamde man, prachtig gespeeld door Javier Bardem, die na 30 jaar genoeg heeft van zijn leven. Wat een ontroerende film! Ook heb ik Closer gezien van Mike Nichols. City of Gods vond ik ook erg goed. Maar ik ben echt meer een theaterman. Ik heb Raak Me Aan van Ger Thijs gezien. Adem, wat geen fijn stuk is. Ik zit bijna iedere week in het theater. Ik houd meer van het theater dan van de bioscoop. Terwijl ik me vaker verveel in het theater dan bij de film. Als ik bij een bezoek aan de bioscoop de roltrap, de popcorn etc. heb overleefd en de lichten gaan uit, laat ik me meestal meezuigen in een verhaal, waardoor ik denk: films, films, films. Bij het toneel zijn er duidelijker afspraken, een helderdere verhouding. Het is spannender, de acteur kan zijn tekst kwijtraken of dood neervallen. Het publiek kan roepen: moeten wij hier naar kijken? Toneel ademt, een film wordt vertoond. Een film voor de televisie, maak je voor de huiskamer. Een film voor de bioscoop maak je voor de eeuwigheid. En toneel maak je voor het moment zelf. 


In de tram op de terugweg denk ik na over thema’s en kenmerken in Weisz’ films. Meestal werkt hij met goede acteurs in zijn films. Het begon al vroeg met een mooie en eigenwijze Kitty Courbois in de korte film Helden in Schommelstoelen. En grote acteurs als Derek Jacobi en Birgit Doll in Charlotte, mijn favoriete film van Weisz. Of topacteurs als Pierre Bokma, Catherine ten Bruggencate in Leedvermaak en Qui Vive. En Will van Kralingen is erg indrukwekkend in Storm in Mijn Hoofd. 
Veel van zijn films gaan over de worsteling met de Joodse identiteit. Er is een interessante ontwikkeling in zijn werk van lyrische, lichtvoetige films als Een Zondag op het eiland Grande Jatte en Heb Meelij Jet, naar meer substantiële films als Charlotte, Leedvermaak en Boy Ecury. Vaak werkte hij met bekende schrijvers als Mulisch, Herzberg, Campert en nu Arthur Japin in de recente telefilm Boy Ecury. Een bijzonder verhaal, sfeerrijk en goed geacteerd over een Arubaanse verzetsstrijder, die gefusilleerd werd door de nazi’s. Bovendien bedient Frans Weisz zich gelukkig niet van grofheid en platitudes. Bijna al zijn films gaan over iets wezenlijks en zijn op zorgvuldig en subtiele wijze gemaakt.